Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT3271

Datum uitspraak2005-03-17
Datum gepubliceerd2005-04-06
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2618 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Niet voldaan aan de eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van ondervonden oorlogscalamiteiten.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/2618 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 29 april 2004, kenmerk JZ/M70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 2005. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiseres, geboren in 1930 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend, onder meer ertoe strekkend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Dit verzoek heeft eiseres gebaseerd op gezondheidsklachten, waaronder met name knie- en enkelklachten en rugklachten, die een gevolg zouden zijn van haar oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië. Verweerster heeft deze aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 13 november 2003 en die afwijzing, na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is in het bestreden besluit overwogen dat eiseres weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van de Wet - te weten haar internering in het kamp Lampersari tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Wat betreft de knie- en enkelklachten heeft verweerster in aanmerking genomen dat eiseres pas 24 jaar nadat zij knieletsel zou hebben opgelopen aan deze knie is geopereerd en dat gelet op het tijdsverloop sedert de oorlog een relatie met de oorlogservaringen niet kan worden gelegd. Ten aanzien van de rugklachten is overwogen dat sprake is van verschoven rugwervels welke, gezien de lange klachtenvrije interval, niet door mishandeling tijdens de oorlog kunnen zijn ontstaan. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij wel degelijk al sinds de oorlogsjaren voortdurende knie- en rugklachten heeft gehad. Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Blijkens de gedingstukken is het door verweerster in het bestreden besluit ingenomen standpunt in overeenstemming met tijdens de bezwaarprocedure ingewonnen advies van haar geneeskundig adviseur N.F. Vogel. Dit advies berust op gegevens die zijn verkregen tijdens de behandeling van een aanvraag van eiseres in 1975 tot erkenning als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, op gegevens welke zijn verkregen ingevolge een vanwege verweerster in mei 2003 ingesteld medisch onderzoek van eiseres door de arts R.J. Roelofs alsmede op gegevens uit de behandelende sector. In genoemd advies is erop gewezen dat volgens de verklaringen van eiseres de knieklachten zijn ontstaan tengevolge van een val uit een boom vóór de oorlog en dat de behandeling daarvan niet alleen tijdens de oorlogsjaren maar gedurende een periode van 21 jaar daarna niet heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de rugklachten is erop gewezen dat de onderhavige rugklachten, waarvan de oorzaak is gelegen in verschoven rugwervels, pas op latere leeftijd zijn gemeld. Bij een en ander is ook in aanmerking genomen dat eiseres bij haar voormelde aanvraag in 1975 heeft aangegeven geen medische klachten te hebben. De Raad acht het bestreden besluit op grond van dit advies naar behoren voorbereid en gemotiveerd. De voorhanden medische gegevens bevatten geen aanknopingspunt voor de opvatting dat wel van (verergerend) verband in de zin van de Wet met de in aanmerking te nemen oorlogscalamiteit, zijnde de internering, kan worden gesproken. Ook de Raad kan niet anders dan vaststellen dat niet op enigerlei wijze is vastgelegd dat eiseres sedert de oorlogsjaren bij voortduring knie- en/of rugklachten heeft gehad die aan de internering zouden moeten worden toegeschreven, terwijl eiseres integendeel in 1975 - naar uit de gedingstukken blijkt - nog heeft verklaard geen medische klachten te hebben. Onder deze omstandigheden kan de Raad het standpunt van verweerster dat voor de huidige knie- en enkelklachten en voor de rugklachten een verband met de internering niet is te aanvaarden niet aantasten. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2005. (get.) G.L.M.J. Stevens. (get.) J.P. Schieveen.